Algemeen

Voor de winterliefhebbers is sneeuw ook heel leuk. Maar voor de schaatsliefhebbers is al die sneeuw minder leuk. Sneeuw maakt de ijsontwikkeling nogal gecompliceerd.

Een laagje sneeuw heeft een sterk isolerende werking waardoor het ijs wordt afgeschermd van de vrieslucht en uitstraling. Dit belemmert de ijsgroei sterk. Hoe dikker de sneeuwlaag des te meer het isoleert.
Verder kun je al bij een dun laagje het ijs niet meer ‘lezen’ en dempt het kraakgeluiden. Je kan dan zomaar een oud wak in schaatsen.
Maar als het droge sneeuw is waait het ijs soms wel schoon en kun je gemakkelijk een baantje vegen. Voorwaarde voor dat laatste is wel dat het ijs dik genoeg moet zijn om te betreden.

Een dikke laag sneeuw heeft zo veel gewicht dat het door het ijs kan zakken. Gezien het dichtheidsverschil tussen ijs en water steekt iets minder dan 10% van de ijsvloer boven de waterspiegel uit. Een centimeter sneeuw levert omgesmolten een kleine milimeter water op. Hieruit kun je een vuistregel afleiden dat iedere cm ijs een ongeveer even dikke sneeuwlaag kan dragen. Is de sneeuwlaag dikker dan het ijs dan duwt het het ijsoppervlak onder water. Via wakken, scheuren en langs de kanten sijpelt er dan water onder de sneeuw. Dit vermengt zich met de sneeuwlaag tot een gelige drap. Wanneer de temperatuur onder nul blijft vriest dit op tot een ijskoek. Er vormt zich een nieuwe ijslaag op de oude ijslaag en dit noemt men sneeuwijs. Als het sneeuwijs goed aangevroren is is er dikkere ijslaag onstaan om op te schaatsen, maar wel van mindere kwaliteit.

Belangrijk is dat sneeuwijs minder sterk is dan zuiver zwart ijs. Bovendien kun je niet aan belletjes en scheuren zien hoe dik het is en het kraakt niet en klinkt nogal dof. Als het niet sterk genoeg is ga je er zonder waarschuwing vooraf door!
Maar een voordeel is dat de isolerende sneeuwlaag is verdwenen en zelfs voor een klein deel een bijdrage levert. Bij aanhoudende vorst kan de sneeuwijsvloer ook weer van onderen aangroeien waarbij het dikker en snel sterker wordt.